zon en zonderling

Samen met vrienden voetbal ik in de bossen. We staan op een heuvel en de bal rolt naar beneden, het hoge gras in. Ik ren naar beneden en als ik me omdraai zijn alle mensen verdwenen. Het zonlicht valt weg, het begint zo hard te waaien dat ik steeds op de toppen van mijn tenen sta en mijn evenwicht moet herstellen.  Ik besluit gebogen te lopen om minder wind te vangen en ik zoek de bal door gras te vertrappen maar stuit vervolgens op een graf. Opeens heb ik een plank nodig, al is me niet duidelijk waarom. Er is enkel een krampachtige gedachte. 'Een plank, ik moet een plank.' De persoon in het graf is eerder begraven dan dat hij geboren is. Ik worstel verder door het gras en vind nog drie andere graven, waarvan er ééntje hoog in een boom is. Er is steeds iets opmerkelijks met de graven maar ik ben nu vergeten wat. Het lijken meer op kapelletjes zonder muren. Er komen twee fietsers voorbij, een oudere man en vrouw, ze schreeuwen naar me maar de wind fluit zo hard dat ik ze niet versta. Ik hoor : 'zon, zon, zon, zon zon'. Ik besluit ze te volgen want het voelt net alsof er donkere diepe tonen uit de graven beginnen te komen. Ze wachten op mij, hun fietsen verdwijnen en het zijn wandelaars geworden. Als ik ze volg heb ik het gevoel net op tijd aan iets ontkomen te zijn.

De wandelaars zien er ongelukkig uit en ze vertellen mij traag en laag dat ik een grafschenner en uitermate 'zonderling' ben. Ik ben te verbluft om mij te verdedigen. Het pad gaat omhoog en ik vind een degenkrab. Wat een wonderlijk dier is dat, ik pak hem op en toon hem in extase aan de wandelaars. Zij geven mij een jute zak waar ik hem in kan stoppen, zijn degen prikt steeds door de stof heen, ik voel dat hij mijn handen zoekt. Ik wissel de vreugde van de vondst steeds af met de angst om geprikt te worden. Vervolgens vind ik een gigantische spin, die van ivoor gemaakt lijkt. Hij ligt op zijn rug en al zijn poten ontspruiten uit een ingewikkelde plek op zijn borst. Het ziet er uit als gesmolten porselein. Zijn poten zijn glad en variëren in kleur van pastelblauw tot pastelroze. Ook deze spin, die niet lijkt te reageren op mijn aanraking, stop ik in de zak.

Ik moet de zak dubbelvouwen en hard tegen mijn borst drukken want de degenkrab wil er uit. Hierdoor let ik niet op mijn omgeving en als ik opkijk sta ik met Chris in een metrostation. Het is een gigantische ruimte met overal roltrappen en liften. Chris geeft mij muntgeld en hij verdwijnt, ik stap zelf ergens een lift in. Het is de enige lift die niet van glas is.

Boven sta ik in op een wankel ijzeren plateau. Overal om mij heen zijn kloven, diep uitgesleten rivierdalen. De grond is dieporanje, de lucht helderblauw. Een spaanstalige man vertelt mij welk perron ik moet hebben, ik moet bruggen van oud ijzer over. Alles is smal en wankel. De trein die arriveert zou mij naar Segovia brengen, een spaans dorpje dat ik verder niet ken. 'Ik moet naar Oss,' zeg ik tegen mijzelf. Het perron blijkt het enige perron. 'Hoe kom ik naar Oss?' Het perron blijkt een grote ijzeren wagen te zijn die langs de bergwanden begint te bewegen. En wat ik voor een trein hield, blijkt een perron te zijn. Hier maakt mijn droom van dat perron een rails dat tussen de bergen slingert. Mijn benen bungelen los boven de ravijnen, de degenkrab is uit de zak gekropen en zit rustig op mijn schoot. Ik word wakker.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten